UA-105762165-1

 

Dulce et decorum est Pro patria mori

 




Onlangs was ik met Laur Crouzen op Rolduc en we bleven stilstaan voor de marmeren plaat die daar in de oostvleugel in de gang tegen de witte muur hangt. In de tijd dat wij op Rolduc verbleven zijn we daar ontelbaar vaak langsgerend; maar nu hebben we ze met meer belangstelling bekeken. Het kapelletje op het kerkhof  van Johan van Weede en de beeltenis van hem kennen de meeste Rolduciens wel, maar dat is zeker niet het geval bij de namen die op deze witte marmeren plaat staan; het zijn er te veel denk ik.




Er zijn twee jaarboeken die  uitsluitsel geven; het jaarboek 1946 waar het oorlogsverleden wordt beschreven van een aantal personen waarvan de namen op het monument staan en het jaarboek 1952 waar de plaatsing van het monument nogal bombastisch beschreven is. Het monument is  gemaakt door Charles Vos; in Limburg staan veel monumenten van hem die te maken hebben met de bevrijding.  

De tekst boven aan deze pagina heb ik niet zomaar gekozen; in deze tijd [november 2018] van het gedenken van het einde van de eerste wereldoorlog hoort men regelmatig vertellen over het gedicht van Wilfred Owen  Dulce et decorum est ; ik nodig u uit dit gedicht eens in vertaling te lezen voordat u dadelijk de jaarboeken doorneemt. In het jaarboek 1952 wordt het citaat van Horatius vaak genoemd. Het gedicht is uiteraard een protest tegen de waanzin van de oorlog.


Dulce et decorum est, van Wilfred Owen

Zwaarbeproefd, kromgebogen als oude kerels,Vloekten we ons hijgend hoestend door het slijk.

Achter ons verdween de gruwel van het front.

Voort ploeterden we, naar verder weg gelegen onderkomens.

Er waren er die lopend sliepen. Anderen, hun laarzen kwijtgeraakt,

Strompelden op bebloede voeten.

Uitgeput was iedereen, verstomd, niets ziend,

Doof zelfs voor de vlakbij neervallende gasgranaten.

Gas! GAS! werd er gebruld. Als de donder rukten we

Die rotmaskers net op tijd over ons hoofd.

Een kreeg het niet voor elkaar

En krijste vertwijfeld als een dier in nood.

Vaag zag ik door mijn beslagen glazen, in een dichte waas

Als onder water in een snotgroene zee, hoe hij verzoop.

Elke nacht droom ik van hem. Hij stort zich op mij, kokhalst,snakt naar adem en verzuipt opnieuw. Machteloos kijk ik toe.

Jij zou ook eens in zo'n afgrijselijke droom,

Mee moeten lopen met de kar waarop hij toen werd afgevoerd.

Zien hoe hij aldoor zijn ogen opensperde,

Zijn mond open en dicht ging als bij een stomme vis,

En bij iedere gierende ademstoot moeten horen

Hoe het bloed omhoog borrelde uit zijn verrotte longen,

Als gore etter uit een verkankerde wond in een onschuldig lijf.

Mijn vriend, je zou het voorgoed uit je kop laten

Jonge jongens, hunkerend naar heldenroem,

Zo stomweg die godvergeten leugen wijs te maken:

Dulce et decorum est pro patria mori.





Ik heb de foto's van de personen uit het jaarboek 1946 eens bij elkaar gezet zodat de koperen namen een gezicht krijgen;  overigens  staan meer namen op het monument dan in het jaarboek. Dit heeft te maken met het feit dat er op het monument ook namen staan van personen die in de periode 1949-1950 zijn gevallen.

 

De herinneringen aan de personen hierboven afgebeeld en opgenomen op het monument uit jaarboek 1946. De verhalen zijn in twee kolommen geschreven; vaak is rechtsboven het vervolg; u kunt de pdf ook met twee pagina's tegelijk in het venster bekijken, wellicht is dat nog duidelijker.



Het verhaal bij het plaatsen van het monument in 1952.